op de smalle grens van verdwijnen klauw ik mijn nagels in de dag ik grijp de wind met beide handen til mij aan de regen laat de zon verwijlen op mijn huid schrijf ik woorden die ik aan mijn zijde zag
hij spinde luid
een oorverdovend
groot genieten
languit strekte hij
zijn tijd
de zon
over de tegels
een draai
een geeuw
als ik weer ga
kiert steels zijn oog
een zucht
hij wel
ligt nog
een beetje meer
van hier naar daar
is niet zo ver
als het lijkt
achter mij
voor jou
zweven
druppeltjes licht
zij gaan en komen
waren en zijn
aan het einde
van de cirkel
rond en rond
begint de liefde
voor mij
en
achter jou
wat zou ik je graag
nog even
voelen
je zachte wang
en de mijne
samen
jouw neus
zo anders
dan die van mij
jouw ogen
blauw
in mijn grijze
bruin
soms hoor ik
jou
terug
in mijn woorden
zeg ik dat
wat ik jou zo vaak
hoorde zeggen
tegen iedereen en
niemand
in 't bijzonder
maar nooit
meer
van jou
naar mij
dwars door
alle diepe kuilen
vlieg ik over
wacht ik onder
hoop ik op
een aardig wonder
richt ik mij
nu eens
naar buiten
door de ramen
van jouw ziel
veeg ik alle
dwaze vlekken
glans mijn vleugels
adem moed
dwars door
de aarde
en stijg op
van jou
naar mij
als ik dan toch
een kleur mag
kiezen
strijk ik alles
glad met
blauw
de hemel
het water
mijn zorgen
vroeg en later
helder als
glas in de
ochtend
zon
zie ik ogen
die ik ken
maar zo anders
van buiten
als ik
van binnen
het grijs
betover
met mijn
blauw
achter mijn gesloten
luiken vaar ik
ogenschijnlijk
kabbelend
stormend
zoek ik
in de branding
de luchtigheid
van helder schuim
met belletjes
zo liefdevol
dat geen schaduw
hen ooit kan
vangen
verward kijkt het
zwart
in het rond en zoekt
naar evenbeelden
in het duister
waar het zich kent
en herkent
in zijn eigen waarheid
als zeker niet
wit
maar temidden van
waar en onwaar
strekt de grijze vlakte
onzeker
haar lange armen uit
haar helende vingertoppen
opdat blinden weer zien
en de wereld
ten einde
alle kleuren
mag zijn